Basisonderwijs voor peuters

KIK zet vraagtekens bij plannen OCenW van basisonderwijs voor 2,5-jarige peuters

Minister van Bijsterveldt is in 2011 gestart met een landelijke proef waarbij peuters vroegtijdig naar de basisschool gaan. Van Bijsterveldt kiest er hierbij voor om de focus te leggen op het wegwerken van (taal)achterstanden bij peuters vanaf 2,5 jaar oud. KIK plaatst serieuze vraagtekens bij de beweegredenen van de bewindsvrouw. Het belang van het kind lijkt ondergeschikt. Bovendien worden door de Minister gedane beweringen onderbouwd met onderzoeksgegevens noch argumenten.
De belangrijkste vragen die het plan oproept bij KIK zijn de volgende:

1. Is het vergroten van de prestaties van 2,5-jarigen een realistisch en wenselijk doel?
Doel van Van Bijsterveldt is om de prestaties van kinderen te vergroten. Zijn kinderen van 2,5 jaar daar in hun ontwikkeling al aan toe? De Vereniging Jonge Kind (VJK) wijst nadrukkelijk op het feit dat onderwijs pas kan aanvangen als aan voorwaarden wordt voldaan in mondelinge taalvaardigheid, beheersing van de grove en fijne motoriek, concentratie en emotioneel welbevinden . Dat is op 2,5-jarige leeftijd nog niet het geval. Ontwikkelingsgericht leren is op deze leeftijd veel geschikter dan prestatiegericht leren.


2. Gelden de plannen voor alle peuters van 2,5 jaar?
In haar interpretatie van het voorstel van de Onderwijsraad om kinderen van 2,5 jaar naar het basisonderwijs te sturen , focust Van Bijsterveldt zich in eerste instantie op kinderen met een (taal)achterstand. Maar om hoeveel kinderen gaat het dan precies? Het Ministerie noemt geen cijfers. Het probleem is niet landelijk maar beperkt zich tot bepaalde regio’s en geldt zeker niet voor alle kinderen: zijn er effectievere en gerichtere methoden denkbaar om de (taal)achterstand bij de kinderen die dat nodig hebben weg te werken? En is het daarvoor noodzakelijk om ernaar te streven dat uiteindelijk alle kinderen van 2,5 jaar naar de basisschool gaan?

3. Waarom is de kinderopvang niet betrokken  bij de plannen?
Om de achterstanden weg te werken, stelt Van Bijsterveldt eisen aan onder meer personeel, locatie en groepsomvang. Waarom zijn deze eisen de kinderopvang niet voorgelegd? De kinderopvang had ook voorstellen kunnen doen om in de nabije toekomst met extra aanbod te komen dat voldoet aan de eisen van de Minister. Is het niet vreemd dat de branche die als geen ander ervaring heeft met 2,5-jarigen, niet betrokken is in de plannen?


4. Waarom wordt voor een zo kostbare variant van het experiment gekozen? 
Van Bijsterveldt geeft geen inzicht in de met het experiment gepaard gaande kosten. De huisvesting op de basisscholen moet worden aangepast en bijscholing is noodzakelijk van zittende leerkrachten. Het kabinet heeft 1 miljoen euro beschikbaar gesteld aan de peutergroepen die meedoen aan het experiment voor de begeleiding van zowel mbo’ers als hbo’ers. In het stuk van de Onderwijsraad wordt een bedrag genoemd van 350 miljoen euro, maar dat betreft alleen de personeelskosten. De kosten komen op basis van berekeningen door KIK substantieel hoger uit, op ten minste 500 miljoen euro.
Een vergelijkbare impuls zou in de kinderopvang (waar de infrastructuur al is ingericht op 2,5-jarigen en waar 90% van de kinderen nu al gebruik van maakt) leiden tot een kostenbesparing van 50 tot 60 miljoen op het overheidsbudget.


5. Hoe ziet de middag eruit van de kinderen?
Het programma van de Minister richt zich op vijf ochtenden school per week. Dit zal voor veel kinderen best intensief en vermoeiend zijn. Hoe ziet hun middag er dan vervolgens uit? Gaan de kinderen ’s middags mogelijk weer naar de kinderopvang? Het kind krijgt in dat geval met onnodig veel verschillende volwassenen te maken op een dag, terwijl hechting aan zo min mogelijk vaste begeleiders voor kinderen van deze leeftijd zo belangrijk is. Bovendien kan deze opzet te vermoeiend voor ze zijn, ook doordat ze op het tijdstip van het middagslaapje nu de ene locatie voor de andere verruilen.


6. Waar is het gekwalificeerde hbo-personeel?
De Onderwijsraad pleit in haar rapport voor kleine groepen onder leiding van hbo-gediplomeerde onderwijskrachten. Van Bijsterveldt wil hiertoe de pabo aanpassen in twee richtingen - voor jonge en oudere kinderen. Het lijkt onwaarschijnlijk dat op korte termijn voldoende hbo’ers, gespecialiseerd in het werken met zeer jonge kinderen, voorhanden zijn om kleine groepen te kunnen garanderen.


7. Zijn kleine groepen een voorwaarde?
Op de basisschool zijn momenteel groepen van 25 tot 30 kinderen meer regel dan uitzondering. Dit is, na de beschermde omgeving van kinderopvang of peuterspeelzaal, zelfs voor 4-jarige kinderen in eerste instantie nog een schok. Zijn kleine groepen voor Van Bijsterveldt een voorwaarde voor 2,5-jarige kinderen?


8. Zijn kinderen in Vlaanderen wezenlijk succesvoller dan Nederlandse kinderen?
De vergelijking wordt getrokken met Vlaanderen, waar de meeste kinderen naar men zegt vanaf 3 jaar naar school gaan. De vergelijking met Vlaanderen wordt echter niet onderbouwd. Zijn kinderen in Vlaanderen wezenlijk slimmer en succesvoller dan Nederlandse kinderen? En wat te denken van een land als Denemarken, waar de leerplicht pas geldt voor kinderen vanaf 7 jaar? Lopen Deense kinderen een blijvende achterstand op? Hebben zij een minder succesvolle schoolcarrière?


9. Is het plan wellicht bedoeld om het tekort aan leerlingen op basisscholen aan te vullen?
Op dit moment voert OCenW gesprekken met in de proef geïnteresseerde gemeenten. Daarbij wordt expliciet melding gemaakt van het streven naar pilots in een krimpregio, waardoor kleine schooltjes kunnen voortbestaan. De komende jaren wordt een daling van het aantal basisschoolleerlingen verwacht met gemiddeld 5%. Heeft het voorstel van Van Bijsterveldt niet eerder tot doel het voortbestaan van de kleinere scholen te waarborgen dan het belang van het kind te behartigen?

Oproep tot samenwerking met de kinderopvang bij de pilots
KIK roept de Minister op de kinderopvang te betrekken bij de pilots. Hiervoor heeft KIK de volgende argumenten:
- De kinderopvang beschikt al over de juiste setting voor jonge kinderen. Gebouwen, middelen en groepen zijn ingericht op en uitgerust voor heel jonge kinderen. Meer dan 90% van de kinderen maakt nu al gebruik van deze voorzieningen.
- Het ontwikkelingsgerichte, spelenderwijs leren in de kinderopvang is een aanpak die beter aansluit bij 2,5 jarigen dan prestatiegericht leren in een onderwijsomgeving. Door hen pedagogische hulpmiddelen op maat aan te bieden, leren de kinderen van de pedagogisch medewerkers en van elkaar. Zij doen in hun eigen tempo ervaring op, wat leidt tot een intrinsieke motivatie om te leren. Kinderen met een (taal)achterstand gaan als vanzelf mee in dit proces, leren spelenderwijs de taal en worden ingevoerd in de Nederlandse cultuur en attitude. Zo’n aanpak werkt niet stigmatiserend, maar is bij uitstek gericht op vroegtijdige integratie en binding.
- Op peuterspeelzalen en kinderdagverblijven wordt reeds gewerkt met VVE-programma’s voor peuters met een achterstand. Deze programma’s richten zich op de totale ontwikkeling van het kind, dus op taalontwikkeling, maar ook op cognitieve, sociale, emotionele, creatieve en lichamelijke ontwikkeling. Belangrijk daarbij is dat ook de ouders doelgroep zijn van dit programma: hen wordt geleerd hoe ze taal- en gedragsachterstanden kunnen voorkomen. Benut de ervaring die hiermee is opgedaan en bouw deze vanuit de bestaande voorzieningen uit.

KIK biedt zich graag aan om mee te denken over de opzet  en de invulling van de pilot.

Datum: februari 2011